
Tom Streef
Beleidsadviseur Energie bij VEMW

Saartje Swinnen
Voorzitter van de Working Party Climate and Efficiency van IFIEC Europe
ETS-herziening brengt verduurzaming en concurrentiekracht industrie onvoldoende samen
Op 17 juli presenteerde de Europese Commissie haar voorstellen voor de herziening van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) na 2030. VEMW en IFIEC Europe zijn kritisch: de plannen bieden volgens hen onvoldoende perspectief voor een concurrerende en duurzame industrie. We praten erover met Saartje Swinnen, voorzitter van de Working Party Climate and Efficiency van IFIEC Europe, en Tom Streef, Beleidsadviseur Energie bij VEMW.
Vooropgesteld: VEMW en IFIEC staan achter het EU ETS en zien emissiehandel als een belangrijk instrument om in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Hun kritiek richt zich dan ook niet op het systeem zelf, maar op de manier waarop het na 2030 wordt ingericht. De Europese Commissie probeert daarbij twee ambities met elkaar te verenigen: de uitstoot verder terugdringen én de concurrentiepositie van de Europese industrie beschermen. Volgens VEMW en IFIEC slagen de huidige voorstellen daar nog onvoldoende in.

Randvoorwaarden ontbreken
Swinnen had gehoopt op een grondiger hervorming van het ETS. Volgens haar houdt het voorstel nog onvoldoende rekening met de randvoorwaarden die nodig zijn om de industrie daadwerkelijk te laten verduurzamen. “De industrie wil absoluut investeren in klimaatvriendelijke technologie, maar krijgt de businesscase steeds moeilijker rond. Hoge energieprijzen en nettarieven maken duurzame alternatieven duur, terwijl netcongestie elektrificatie vertraagt of zelfs onmogelijk maakt. Ook andere noodzakelijke infrastructuur, bijvoorbeeld voor waterstof en CO₂, is nog niet overal beschikbaar. Daardoor kunnen bedrijven wel plannen hebben om hun uitstoot te verminderen, maar ontbreekt het aan de juiste voorwaarden om die investeringen daadwerkelijk te doen.”
Voorwaarden aan kosteloze rechten
Om te voorkomen dat Europese bedrijven door de CO₂-prijs hun concurrentiepositie verliezen en productie naar buiten Europa verplaatsen, ontvangt een deel van de industrie nu nog kosteloze emissierechten. Die bescherming wordt echter steeds verder afgebouwd. Streef: “De Commissie stelt daarnaast voor om de kosteloze rechten voorwaardelijk te maken. Bedrijven moeten een verduurzamingsplan indienen en laten goedkeuren. Vervolgens wordt 80 procent van de kosteloze toewijzing over 5 jaar uitgekeerd. De resterende 20 procent volgt pas als de investeringen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en tot significante emissiereductie hebben geleid. Zo wordt het een soort investeringssubsidie en draagt het ons inziens minder bij aan het uiteindelijke doel: het voorkomen van carbon leakage.”
Realistische benchmarks
Een ander kritiekpunt is dat de Europese Commissie de methodiek achter de benchmarks niet wezenlijk aanpast. Die benchmarks bepalen hoeveel kosteloze emissierechten een bedrijf ontvangt en zijn gebaseerd op de uitstoot van de 10 procent meest efficiënte installaties in een sector. Zo kunnen technieken of energiedragers die nog maar beperkt beschikbaar zijn toch de lat bepalen voor de hele sector. Bedrijven die daar bijvoorbeeld door ontbrekende infrastructuur geen gebruik van kunnen maken, ontvangen vervolgens minder kosteloze rechten en krijgen te maken met hogere CO₂-kosten. Bovendien toont de impact assessment van de commissie dat er onvoldoende emissierechten beschikbaar zullen zijn voor kosteloze rechten. Daardoor zullen bedrijven systematisch minder kosteloze rechten krijgen via correctiefactor. VEMW en IFIEC hadden daarom graag gezien dat de herziening was aangegrepen om de benchmarkmethodologie realistischer te maken en ervoor te zorgen dat er voldoende emissierechten beschikbaar zijn voor kosteloze rechten.
Randvoorwaarden
Volgens Swinnen en Streef zet de voorgestelde herziening wel stevig in op de klimaatambities, maar is er te weinig oog voor de concurrentiepositie van de Europese industrie. “Om het ETS-pad tot een succes te maken, is het absoluut nodig dat de randvoorwaarden in orde zijn”, benadrukt Swinnen. “Daarnaast moet de Commissie zich realiseren dat het voorwaardelijk maken van de kosteloze rechten niet bijdraagt aan het voorkomen van carbon leakage.” Klimaatwinst moet immers niet het gevolg zijn van productie die uit Europa verdwijnt, maar van bedrijven die hier kunnen verduurzamen.
Klimaat